Sociaal democratie
In 1877 werd – naar Duits sociaal-democratisch model - in Vlaanderen één der eerste socialistische partijen in Europa opgericht: de Vlaamsche Socialistische Arbeiderspartij. De jonge partij had kernen in Gent, Antwerpen en Mechelen. Drie jaar later fusioneerde ze met Brusselse groepen tot Belgische Socialistische Partij, die op haar beurt opging in de Belgische Werkliedenpartij (1885), na de aansluiting van Waalse arbeidersverenigingen.
Strijd voor algemeen stemrecht
De BWP oriënteerde zich op de strijd voor algemeen stemrecht, om langs de verovering van een meerderheid in het parlement sociale hervormingen te kunnen doorvoeren. Rond de partij ontstond een netwerk van coöperatieven, mutualiteiten, vakbonden en socio-culturele verenigingen, anders gezegd een socialistische zuil.
In 1893 werd in België het algemeen (meervoudig) stemrecht voor mannen ingevoerd. Bij de parlements- en gemeenteraadsverkiezingen in 1894 en 1895 kende de BWP een eerste doorbraak, vooral in Wallonië en Brussel. In Vlaanderen bleef de 'doorbraak' beperkt tot Gent, waar de socialisten in 1895 de relatief sterkste fractie van de gemeenteraad vormden. De Gentse socialistenleider Edward Anseele (1856-1938) werd in 1894 (te Luik) tot volksvertegenwoordiger verkozen, meteen de eerste Vlaamse socialist in de Kamer. Tot 1914 zou Gent de sterkste federatie van het Vlaamse socialisme blijven: het werd een model dat elders in Vlaanderen werd gekopieerd.
In 1900 werd de evenredige vertegenwoordiging bij verkiezingen ingevoerd, en meteen konden ook de eerste rechtstreeks verkozen Vlaamse socialistische volksvertegenwoordigers hun intrede doen in de Kamer: 2 in Gent-Eeklo, 1 in Antwerpen en 1 in Leuven. De socialistische partij behaalde in 1900 in het Vlaamse landsgedeelte 4,5 % der stemmen, waarbij men rekening moet houden met het voor de socialisten negatieve effect van het meervoudige stemrecht dat partijen met een kleinburgerlijk electoraat begunstigde. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was het aantal socialistische Kamerleden opgelopen tot 6. Socialistische dagbladen als Vooruit (1884) en Volksgazet (1913) zagen het licht.
Op gemeentelijk vlak verliep de integratie uiterst traag: slechts begin 1909 werden te Gent de eerste socialistische schepenen in het College opgenomen, later volgde Antwerpen en kleinere gemeenten in het Gentse als Ledeberg en Gentbrugge. Kleine socialistische inplantingen vond men ook in Menen, Oostende, Aalst, Ronse, Sint-Niklaas, Mechelen, Lier, Tongeren en een vrij sterke vertegenwoordiging in Leuven. De socialistische inplanting concentreerde zich in de grote industriesteden als Gent en Antwerpen, in gemeenten aan de taalgrens en in spoorwegknooppunten. Het Vlaamse socialisme bleef onder de voogdij van de grote broer in Brussel en Wallonië.
Sociale hervormingen
De Eerste Wereldoorlog gaf nieuwe impulsen aan de beweging: op plaatselijk vlak werden coöperatieven en andere sociale organisaties geïntegreerd in de werking van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. In de eerste naoorlogse regering van nationale eenheid werd Anseele opgenomen als Minister van Openbare Werken en Wederopbouw (1918-1919). Bij de verkiezingen van 1919 (algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen) kende de BWP met 25,5 % der stemmen in Vlaanderen haar doorbraak. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 behaalde de BWP meer dan 460 mandaten in Vlaanderen (tegenover 29 in 1911). Belangrijke sociale hervormingen - naast de invoering van het algemeen stemrecht - werden tussen 1918 en 1921 gerealiseerd: de achturige werkdag, de oprichting van een Nationaal Krisisfonds voor de werklozen, de afschaffing van de beperkingen op het stakingsrecht.
Na vier jaar oppositie haalde de BWP in 1925 30,1 % der stemmen in Vlaanderen, meteen haar hoogste score in de geschiedenis. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1926 steeg haar aantal verkozenen tot 565. Tussen 1925 en 1927 maakten de Vlaamse socialisten Anseele en Camille Huysmans (1871-1968) deel uit van een nieuwe regering van nationale eenheid. In 1921 werden de eerste Vlaamse socialistische burgemeesters door de Koning benoemd, in Ledeberg en Menen.

Later volgden andere gemeenten als Gentbrugge, Zelzate, Geraardsbergen, Ronse, Aalst, Sint-Gillis-bij-Dendermonde, Hoboken, Willebroek. In 1933 werd Camille Huysmans burgemeester van Antwerpen: het was meteen ook de bekroning van de opgang die Antwerpen had gekend als socialistische metropool in Vlaanderen, ten koste van Gent. De electorale score van de BWP in Vlaanderen schommelde tijdens het Interbellum rond de 26,5 % der stemmen (laagste score in 1921: 24,9 %; hoogste in 1925: 30,1 %).
Na acht jaar van oppositie werd de BWP in 1935 terug in de regering opgenomen, met aan Vlaamse kant Hendrik de Man (1885-1953) als minister van Openbare Werken en Opslorping van de Werkloosheid.
De Man was de ontwerper van het Plan van de Arbeid waarrond in die jaren intens campagne werd gevoerd. In 1934 kreeg de socialistische coöperatieve beweging een serieuze klap met de val van de Bank van de Arbeid. Bij de verkiezingen van 1936 verloor de BWP een 3 % van de stemmen, vooral aan de kleine Kommunistische Partij. De socialisten bleven echter tot aan het uitbreken van de oorlog - mits een korte onderbreking in 1939 - deel uitmaken van de regering, met naast De Man, Desiré Bouchery (1888-1944), Eugène Soudan (1880-1960) en August Balthazar (1893-1952) als ministers. Hendrik de Man werd in 1939 de eerste Vlaamse voorzitter van de BWP: hij oriënteerde de BWP in Vlaanderen naar een meer uitgesproken Vlaams profiel, wars van het "vertaalde socialisme" van weleer. In 1937 werd het eerste Vlaams socialistisch congres georganiseerd. Het nieuwe profiel leidde op concrete momenten tot een tijdelijke breuk met de Franstalige socialisten, wat onder meer bleek bij de stemming rond de erkenning van het Spaanse Burgos-regime in 1938.
Sociale zekerheid
Na de Achttiendaagse Veldtocht ontbond De Man de BWP en sleurde een aantal sympathisanten mee in de collaboratie. In de illegaliteit ontstond een nieuwe Socialistische Partij, rond verzetsbladen als Morgenrood en De Werker. In 1945 werd dan uiteindelijk een nieuwe Belgische Socialistische Partij opgericht die niet langer stoelde op collectief lidmaatschap (van vakbonden en andere verenigingen) maar op individuele toetreding. De nieuwe partij behield wel (tot 1978) een unitaire structuur, met een Vlaming als ondervoorzitter. De belangrijkste naoorlogse Vlaamse socialist was ongetwijfeld de Bruggeling Achille Van Acker (1898-1975), die als minister van Sociale Zaken en later als Eerste Minister in de eerste naoorlogse regeringen de Sociale Zekerheid in ons land invoerde.
Ten gevolge van de invoering van het vrouwenstemrecht (1949) en de Koningskwestie (1950) behaalde de CVP een absolute meerderheid en belandde de BSP weer in de oppositie. In 1954 werd onder leiding van Van Acker een liberaal-socialistisch kabinet gevormd dat gekenmerkt werd door de zogenaamde schoolstrijd. In 1958 belandde de BSP weer in de oppositie om na de staking tegen de Eenheidswet en de daaropvolgende verkiezingen haar beste naoorlogse score te behalen in Vlaanderen (29,7 % der stemmen).
Tussen 1961 en 1966 maakte de BSP weer deel uit van "roomsrode" coalities. De Vlaamse socialistische ministers in die diverse coalities waren (in volgorde): Herman Vos (1889-1952), Lode Craeybeckx (Antwerpen, 1897-1976 , later burgemeester van Antwerpen), Camille Huysmans (later Voorzitter van de Kamer), Piet Vermeylen (1904-1991), Edward Anseele Jr. (1902-1981), Antoon Spinoy (1906-1967), Frans Tielemans (1906-1962), Hendrik Fayat (1908-1997), Alfons Vranckx (1907-1979), Elie van Bogaert (1919-1993), Louis Major (1902-1985), en Gust Breyne (°1914). Tot de nieuwere generatie socialistische ministers rekenen we vanaf de zeventiger jaren Willy Claes (°1938), Willy Calewaert (1916-1993), Frank Van Acker (1929-1992), Roger De Wulf (°1929), Rik Boel (°1931), Lydia De Pauw-Deveen (°1929), Freddy Willockx (°1947), Jef Ramaekers (°1923), Marc Galle (°1930), Joz Wijninckx (°1931), Leona Detiège (°1942), Marcel Colla (°1943), Luc Van den Bossche (°1947), Frank Vandenbroucke (°1955), Erik Derycke (°1949), Jan Peeters (°1963), Eddy Baldewijns (°1945), Louis Tobback (°1938), Johan Vande Lanotte (°1955), Norbert De Batselier (°1947), Steve Stevaert (°1954), Renaat Landuyt (°1959).
Splitsing partij
Bij de verkiezingen van 1965 kreeg de BSP tengevolge van de opkomst van de VU en in mindere mate de PVV en kleinlinkse lijsten een zware electorale klap: zij zakte naar 24,7 % der stemmen in Vlaanderen, en zou zich nooit meer van die slag herstellen. Gestaag zakte haar score om tenslotte in 1977 22,4 % der stemmen te bereiken. In 1974 hield de unitaire BSP voor het laatst een eensgezind Ideologisch Congres, waarop het Charter van Quaregnon (1894) werd geactualiseerd. Na haar deelname aan de regeringen die de eerste grondwetsherziening voorbereidden en uitvoerden (1968-1974) kwam zij in 1977 terug in de regering. Ten gevolge van groeiende onenigheid in de unitaire BSP, waar in 1974 het co-voorzitterschap was ingevoerd (Leo Collard, 1902-1981, Jos Van Eynde, 1907-1992), trokken in 1978 de Franstalige socialisten zich terug om een eigen Parti Socialiste te vormen. In datzelfde jaar nam de socialistische partij in Vlaanderen voor het laatst deel aan de verkiezingen onder de letters BSP, maar met toevoeging "Vlaamse Socialisten". Ondertussen had de jonge Karel Van Miert (°1942) het roer overgenomen. Een nieuwe richting die was gestart met de oprichting van de Rode Leeuwen in Brussel (1968) werd nu consequent doorgetrokken. De zogenaamde Jonge Turken in de BSP (die vanaf 1980 SP werd) - Louis Tobback, Luc Van den Bossche, Norbert De Batselier, Freddy Willockx, Louis Vanvelthoven (°1938), Marcel Colla - koppelden dat nieuwe Vlaamse profiel aan een verscherping van de pacifistische standpunten van de partij (zie de beweging tegen de invoering van kruisraketten in België) en aan een doorbraak naar de progressieve christenen in Vlaanderen.
In 1983 nam de partij een vrij radicaal Sociaal-Economisch Alternatief aan ("Voor Vrede en Werk"), als antwoord op het neoliberale offensief. Onder Van Miert en zijn Jonge Turken begon vanaf de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 (ondertussen was de partij weer in de oppositie beland) een electorale heropgang, met als bekroning de Europese verkiezingen van 1984, toen de lijst aangevoerd door Karel Van Miert 28,1 % der stemmen behaalde en vier van de 13 Vlaamse Euroverkozenen. In 1985 werd deze winst verzilverd bij de parlementsverkiezingen (23,7 %), en opnieuw in 1987 (24,6 %) waarna de partij opnieuw geroepen werd om deel te nemen aan de regering.
In 1988 werd Van Miert Europees Commissaris en werd het voorzitterschap overgenomen door de jonge Frank Vandenbroucke. De gemeenteraadsverkiezingen van 1988 en vooral de Europese verkiezingen van 1989 kondigde echter het einde van de electorale heropgang aan: bij de parlementsverkiezingen van 1991 ("Zwarte Zondag") zakte de partij onder de magische drempel van 20 % (19,9 %). Toch nam men opnieuw deel aan de regering waarin een nieuwe grondwetsherziening werd afgekondigd die aan Vlaanderen een eigen parlement gaf. Als socialistische voorzitter van de Vlaamse Raad vermelden we achtereenvolgens Rik Boel, Louis Vanvelthoven, Eddy Baldewijns en tenslotte Norbert De Batselier (Vlaams Parlement). De Euroverkiezingen van 1994 gaven een absoluut dieptepunt te zien van 17,6 % der stemmen, terwijl bij de gemeenteraadsverkiezingen in het najaar van 1994 de partij dankzij de inzet van haar tenoren haar score (omgerekend naar de gemeenten waar ze opkwam) kon handhaven op een 19,6 % der stemmen (tegen 21,3 % in 1976, 21,6 in 1982, 21,1 in 1988). Met de verkiezing van de omstreden doch populaire Louis Tobback tot voorzitter, eind 1994, bereidde men zich voor op een succesvolle heropgang bij de parlementsverkiezingen van 1995. De zogenaamde Agusta-affaire, waarbij diverse kopstukken van de partij betrokken waren, leek in de winter van 1995 echter roet in het eten te gooien: tengevolge van een campagne gecentreerd rond Tobback en het thema "Uw sociale zekerheid" kon men echter met succes het tij keren. De SP behaalde in mei 1995 20,7 % der stemmen, en Tobback werd erkend als dé morele winnaar van de verkiezingen.
Electorale evolutie
Tegenover een gemiddelde score van 25,8 % der stemmen in de "unitaire" periode 1946-1977 staat een meridiaan van 21,8 % in de periode 1978-1995 (21,7 % voor de Europese verkiezingen 1979-1994). De paradox is echter dat de SP ondanks die electorale afkalving nog nooit zo veel structurele invloed in het beleid heeft gehad. Zij is vertegenwoordigd in de Europese commissie, in de Vlaamse regering, in de provinciale deputaties van de vijf Vlaamse provincies (waarvan er twee door een gouverneur van socialistische gezindheid worden bestuurd), komt op in meer dan 260 gemeenten (van de 305) in Vlaanderen, heeft verkozenen in twee op de drie Vlaamse gemeenten, en zetelt in 1 op de drie Vlaamse schepencolleges. Zij levert vandaag burgemeesters in Antwerpen, Gent, Leuven, Hasselt, Sint-Truiden, Dendermonde, om de voornaamste steden en gemeenten te noemen, waar ze in het algemeen sedert de fusie 1 op de 10 Vlaamse burgemeesters laat benoemen. De fusie der gemeenten in 1976 heeft als effect gehad dat de invloed van de partij is uitgedeind op het lokale vlak, wat een niet te versmaden troef is: noteren we een lichte voorkeur voor coalities zonder de CVP op het lokale vlak (wat deels historisch en deels door de schrik voor een "CVP-staat" eind de zeventiger jaren te verklaren is) terwijl men op federaal en Vlaams vlak vooralsnog vasthoudt aan de "roomsrode "formule.
De algemene neergaande electorale tendens is het sterkst in de oude stedelijke bastions, mede ten gevolge van de impact van het Vlaams Blok op het "oude" socialistische kiespubliek. In andere regio's boekte de SP wel spectaculaire winsten: de streek van Brugge, Leuven en Dendermonde en vooral Limburg, waar overigens in 1991 voor het eerst in de geschiedenis van Vlaanderen een provinciale coalitie zonder de CVP werd gevormd.
Dr. Guy Vanschoenbeek (AMSAB, Gent)
In het oog van de storm(en)
De legislatuur 1995-1999 was zeker niet de gelukkigste in de geschiedenis van de SP. De Agusta-affaire mondde uit in een veroordeling van verschillende SP-kopstukken waaronder gewezen NAVO-secretaris-generaal Willy Claes. De ontsnapping van Marc Dutroux dwong minister van Binnenlandse Zaken Vande Lanotte tot ontslag. Zijn opvolger Louis Tobback maakte vervolgens plaats voor Luc Van den Bossche na het overlijden van de Nigeriaanse vluchtelinge Semira Adamu tijdens haar repatriëring.
Deze stoelendans bracht de meest notoire vernieuwer binnen de SP, Steve Stevaert, in de Vlaamse regering. Door de opeenvolging van de verschillende affaires dienden de verkiezingen van 13 juni 1999 (Europa, Senaat, Kamer en Vlaams Parlement) zich als zeer problematisch aan. Kort voor deze 'Moeder van alle verkiezingen' brak bovendien de dioxine-crisis uit. Die dwong niet alleen SP-minister Colla (Volksgezondheid) tot ontslag, maar ondergroef ook en vooral het al wankele vertrouwen in de rooms-rode coalitie Dehaene II.
De verkiezingsuitslagen betekenden een zware klap voor de SP, die voor de verschillende assemblees een gemiddelde score van 15 tot 16 procent haalde.
Luc Peiren (AMSAB, Gent)
Bronnen: Archief (ondermeer de verslagen van de nationale bestuursorganen tot 1978) en documentatie (vooral de kranten Vooruit en Volksgazet) met betrekking tot de geschiedenis van de SP wordt bewaard in het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging (AMSAB) te Gent en Antwerpen.
Korte bibliografie: Voor een algemene, geïllustreerde schets van de geschiedenis van de SP verwijzen we naar Geert VAN GOETHEM en Michel VERMOTE,Honderd jaar socialisme: Een Terugblik, Gent 1985. Wat betreft de geschiedenis van de BWP wordt verwezen naar de standaardwerken van Denise DEWEERDT, De Belgische socialistische beweging op zoek naar een eigen vorm 1872-1880, Antwerpen 1972; Andrè MOMMEN, De Belgische Werkliedenpartij: ontstaan en ontwikkeling van het reformistisch socialisme (1880-1914), Gent 1980; Mieke CLAEYS-VAN HAEGENDOREN, 25 jaar Belgisch socialisme, Gent 1967. Plaatselijke monografieën verschenen over Gent (Guy Vanschoenbeek, 1995), Limburg (Willy Massin, 1981 en 1985), Dendermonde (Geert Van Goethem, 1985 en 1993), Antwerpen (Albert Van Laar, 1926), Leuven ("De socialisten", 1985), Brugge (Daniel Steevens, s.d.), Oostende ("Recht door Zee", 1990), Waasland (Geert Van Goethem, 1996, en Donald Weber, 1998). Voor meer referenties verwijzen we naar de bibliografie van socialisme en arbeidersbeweging in België (Denise Deweerdt, 1979, 1988) en de VUBIS-catalogus in AMSAB.